4. Dieren in Flevopark


Vogels kijken kun je goed in het Flevopark. Dat is wel duidelijk geworden na lezing van het voorgaande hoofdstuk. Er zijn echter nog heel wat meer diersoorten die in en om het Flevopark leven, maar die zich jammer genoeg wat minder makkelijk laten bespieden dan de vogels. Wat te denken van vossen, bunzings, diverse muizesoorten, egels, en ringslangen in het park?

HondjeDe kennis van het voorkomen van dit soort dieren in het Amsterdamse is flink toegenomen door de vrijwilligersactiviteiten van twee mensen: Martin Melchers en Geert Timmermans.

Meer dan 5 jaar zijn ze bezig geweest met het inventariseren van de fauna van 'Groot Amsterdam'; van het westelijk havengebied via Noord tot en met de omgeving van Diemen. Ondanks alle aanslagen op het natuurlijk milieu door de aanleg van wegen, vervuiling enzovoort bleek er nog steeds heel veel dierlijk leven in en rond Amsterdam te zijn. Het onderzoek kreeg zijn weerslag in de uitgave van het boek 'Haring in het IJ', waarin 'de verborgen dierenwereld van Amsterdam' op een heel luchtige en interessante manier beschreven wordt. Uiteraard is het Flevopark e.o. ook door het duo onderzocht. Martin Melchers kent het park op z'n duimpje; hij woont zelf in de Watergraafsmeer, werkt in het Flevohuis en piept er regelmatig even uit om een muizenvangdoos voor zijn onderzoek te legen. Melchers keek (en kijkt) naar het voorkomen van kreeftachtigen, vissen, amfibieën, reptielen en zoogdieren.

Om met de kreeftachtigen te beginnen: in het water van het Nieuwe Diep zit de Amerikaanse rivierkreeft; een soort die ooit vanuit Amerika naar Duitsland is gebracht en zich via de Rijn naar ons land uitbreidt. De oorspronkelijke in Nederland voorkomende rivierkreeft is uiterst zeldzaam geworden door o.a. watervervuiling. Verder is het Nieuwe Diep goed viswater met snoek, de driedoornige stekelbaars, rietvoorn en karper. In de slootjes rond de Joodse Begraafplaats vinden we de kleine watersalamander. Verder de gewone pad, de bruine en groene kikker, en de ringslang. En wat de zoogdieren betreft: muskusrat, bosspitsmuis, bosmuis, veldmuis, huismuis, bruine rat, egel, mol en haas. Verder is de vos en de bunzing in de aangrenzende gebieden(Diemerzeedijk en Diemerpolder) gesignaleerd. Martin Melchers heeft laatst sporen gevonden van een vos over die over de Joodse begraafplaats tot bij de hoofdingang van het Flevopark heeft gelopen. Het zou best kunnen zijn dat ook de bunzing wel eens nachtelijke bezoekjes aan het park brengt. Dit roofdiertje houdt wel van een lekker muisje of rat en die zijn er in het Flevopark en de aangrenzende Joodse begraafplaats zeker te vinden.

Muizenissen

Over muizen gesproken. Martin Melchers heeft in het Flevopark onder de 24 zoogdiersoorten 11 muizesoorten aangetroffen. Een belangrijke bron van gegevens vormen de braakballen van de ransuilen in het Flevopark. Ransuilen eten muizen, veel muizen. Wie zich al afvroeg wat het belang van al die muizen in het Flevopark kon zijn, weet het nu. Muizen zijn er voor de ransuilen; en braakballen van de ransuilen voor de onderzoekers. In braakballen van de ransuilen uit het Flevopark zijn onder andere resten aangetroffen van de dwergmuis, en de noordse woelmuis.

De noordse woelmuis komt buiten Nederland in West-Europa niet voor en kan als een relict uit de IJstijd worden gezien. Het Nederlandse diertjes worden gerekend tot een aparte ondersoort en zijn dus zeer uniek. Noordse woelmuizen houden van nat terrein, drassige hooilanden en zompige oevervegetaties, biotopen die zeldzaam zijn geworden. De laaggelegen, natte Israëlitische begraafplaats is daarom in principe geschikt leefgebied. Jammer alleen dat ze daar nooit 'in de val' van de onderzoekers zijn getrapt, maar de resten in de braakbal zijn wel een aanwijzing dat ze in de buurt moeten zitten.

De meest voorkomende muis in het Flevopark is de bosmuis. hij is een echte opportunist en cultuurvolger. Zorg voor wat struiken, hoge kruidige vegetatie of een takkenhoop die voor dekking zorgt en de bosmuis vestigt zich daar. Een leuk beest moet het zijn, met zijn grote oren, geelachtige vacht en grote, bolle kraaloogjes. Omdat die 's nachts op stap gaat, zien we hem nooit. Nou ja, muizen kijken is voor de leek sowieso onbegonnen werk, behalve wanneer de huismuis op bezoek komt.


Vliegende 'muizen' zijn er ook in het Flevopark. Met behulp van bat-detectors zijn twee soorten in het Flevopark opgespoord: de algemene dwergvleermuis (hij verblijft in spleten van gebouwen), en de laatvlieger.


De laatvlieger is vrij groot en heeft een spanwijdte van 30 tot 40 cm. Net als de dwergvleermuis bewoont de laatvlieger gebouwen en is dus een cultuurvolger. Laatvliegers kruipen echter niet weg in de kleinste spleetjes, maar hangen liever in spouwmuren of op kerkzolders. In de zomer kunnen laatvliegers vooral in parken worden aangetroffen, waar ze boven open plekken jagen op grote insekten. Regelmatig zijn ze te zien in het Vondelpark, het Rembrandtpark, het Amsterdamse Bos en vooral het Flevopark.


Geen eiland

Hoe komt het nu dat het Flevopark zo rijk is aan diersoorten? Allereerst ligt het park niet als een groen eiland in de stad, zoals veel andere Amsterdamse parken. Het heeft verbindingen met het landelijke gebied van de Diemerpolder en Diermerzeedijk. Dat kunnen we goed zien aan de mol. In door bebouwing geïsoleerde parken kunnen mollen zich niet opnieuw vestigen, wanneer deze door bestrijding of ziekte zijn uitgeroeid. In het Flevopark heeft bestrijding weinig zin, want er is constant aanvulling vanuit het landelijke gebied.

Daarnaast kent het Flevopark rustige plekken waar weinig of geen mensen komen: de Joodse Begraafplaats en sommige stukken oever langs het Nieuwe Diep (m.n. langs het sportterrein). Dat geeft dieren de gelegenheid zich te verbergen wanneer er onraad dreigt.

Bovendien is rust ook van belang voor de voortplanting van dieren. De ringslang is een goed voorbeeld. Deze niet-giftige slang leeft van wormen, kikkers, vissen en muizen. Hij kan uitstekend zwemmen en dat komt hem wel van pas in de door sloten omgeven Begraafplaats. Omdat het een koudbloedig dier is, moet hij een deel van de dag (we praten natuurlijk over de zomer; in de winter verbergt hij zich onder takken, of in een holletje) in de zon liggen. De leerachtige eieren legt de ringslang in hopen bladeren, maaisel of riet. Door de warmte van de zon en broeieffect van het maaisel kunnen de eieren worden uitgebroed.

Het zal duidelijke zijn dat zoiets alleen mogelijk is in een ongestoorde omgeving. Het is daarom erg belangrijk dat er in het Flevopark gebieden blijven bestaan die rustig zijn, en die niet intensief onderhouden worden.

Joodse Begraafplaats: een relatief rustige plek voor dieren. De Joodse Begraafplaats is daarvan een goed voorbeeld. Het gras tussen de zerken wordt maar een of twee keer per jaar gemaaid, en het maaisel wordt op hopen gezet. Bladeren en afgevallen takken blijven liggen. Een dergelijk beheer betekent dat er niet alleen voor de ringslang, maar ook voor tal van andere diersoorten geschikte leefgebieden ontstaan. Voor de ringslangen is nog een mogelijkheid: het maken van een apart ringslangeneilandje, aan te leggen in het Nieuwe Diep, wat misschien wel te combineren is het 'vogeleiland' van Harm van de Veen. Of het maken van kleine hellinkjes met bladerhopen op een afgesloten terrein; wie weet gaan ze er wel eieren leggen.

Nog een belangrijke aanbeveling van Martin Melchers is om de groene lob vanuit het Gooi ter hoogte van het Nieuwe Diep te 'normaliseren'. Voor weinig geld kan hier in de bocht van het Amsterdam-Rijnkanaal (ruimte genoeg voor de schepen) aan de westzijde grof schoon puin gestort worden. Hier kunnen dieren, die van de Diemerzeedijk naar het Flevopark willen, weer oversteken. Reeën hoeven dan niet meer te verdrinken vanwege een steile oever, omdat ze dan uit het water kunnen klimmen.

Met behulp van dergelijke maatregelen kan de fauna van het Flevopark nog rijker worden dan ze nu al is. Een bedreiging in de toekomst vormt wel het plan van Amsterdam om de woonwijk Nieuw-Oost (IJ-Burg) in het IJ-meer aan te leggen; natuurbeschermingsorganisaties hebben daar al tegen geprotesteerd. Het is te hopen, dat in ieder geval de groene lob, die het Gooi met het IJ en met Waterland verbindt en waarvan het Flevopark onderdeel van is, zal worden gerespecteerd.

Update 2014 - intussen is de wijk IJburg al lang een feit, maar ook een feit zijn de ecologische maatregelen die zijn genomen zoals het maken van Fauna Uittreed Plaatsen (FUP's) aan de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal en de Ecologsiche verbindingszone Nieuwe Diep. En bij de verwijdering van het Sluiseiland in het Amterdam-Rijnkanaal worden er nieuwe FUP's gemaakt. Dit alles komt de biodiversiteit van het Flevopark zeker ook ten goede.


Copyright tekst en foto's: Goos van der Sijde
(dd. 17 maart 1996)